13 May, 2012
Geplaatst door admin
Van de hemelse Heidelbergs en de heidense drukinkt
Na een optreden met de Rauwe Uiwe in Boekhandel Pampus ontmoetten we een vrouw met een mysterieuze naam, een naam alsof de al even mysterieuze vrouwfiguur door een engelenquintet met trompetten wordt aangekondigd: dames en heren, Tarata. Terwijl we aan de balie van de boekhandel aan de rode wijn zaten, vertelde ze over haar werkplaats, die tot de nok gevuld was met een keur aan ouderwetse Heidelberg-persen. De geur van natte drukinkt zou zich vandaar, door de grote loodsdeuren, boven Amsterdam Oost verspreiden. De werkplaats zou herkenbaar zijn aan die ene zwarte wolk, die op een dag als vandaag, tussen de melkwolkjes boven het eiland hangen. “Inkt,” zei ze. “Inkt zal het thema zijn van de bundel die we met jullie willen maken. We zullen de Heidelbergs laten dansen op de muziek van jullie poëzie. Dronken van de geur van inkt zullen we het glas heffen op de bundel die we dan presenteren.”
Ik keek Martijn den Bakker aan. Martijn keek Bernard Wesseling in de ogen. Bernard krulde zijn gesloten lippen tot een grimas, dacht heel even na en keek me toen langzaam maar zekerder knikkend aan.
“Volgens mij doen we mee”, had ik gezegd.
“Zeker”, zei ook Sander Meij, die net kwam aangelopen. “Inkt! Paint it Black, Rolling Stones! Rock and Roll baby…”
“The Rolling Stones zijn oud man,” zei ik.
“Vijftig jaar dit jaar”, wist Sander. “Collectief driehonderd.”
“Sander”, zei Martijn.
Sander trok zijn rechter wenkbrauw op alsof-ie Martijn de maat nam en zei: “Goed. Dus ik laatst mijn pen pakken…”
Zo moet het ongeveer gegaan zijn. In de maand die er tussen toen en vandaag zat schreef ik mijn eerste wetenschappelijke publicatie. Niet dat het een wetenschappelijke publicatie is, of dat het ergens bij Reed Elsevier in de archieven verdween, maar met hoofdstukken als ‘Materiaal en Methode’ en ‘Resultaten en Conclusies’ kwam het van alles wat ik na mijn studies Biotechnologie en Wetenschapsfilosofie geschreven heb toch het dichtst in de buurt van iets wetenschappelijks.
Een van de grootste angsten die ik had tijdens mijn studie biotechnologie was wel te eindigen als biotechnoloog, tot ’s avonds laat in een laboratorium, microliters DNA en RNA in klein epjes pipetterend tot je er bij neerviel, om zo maanden onderzoek van tafel te stot en en weer helemaal opnieuw kunnen beginnen.
Die angst moet in mijn achterhoofd gezeten hebben toen ik dat gedicht schreef, want een gedicht is het geworden – vergeet dat ik ooit sprak van een wetenschappelijke publicatie. ‘Over het colloïdale en destructieve effect van synthetische inkt op de in laag water levende stam der weekdieren’, heet het.
Ik lees het nog eens door, nu ik op mijn balkon onder een clichéblauwe hemel met wat blauwe wolkjes in de zon zit te wachten om over enkele minuten naar de werkplaats te gaan waar de presentatie van het drukwerk is.
Omdat bij Querido volgende week woensdag de nieuwe bundel van Bernard Wesseling verschijnt, zal van zijn gedicht een plano gedrukt worden. Een plano ja. Ik schreef er al eerder over, toen Wolfram van Uitgeverij Tungsten me vroeg of hij één gedicht van me op handgeschept papier, met wederom die Heidelbergs, mocht uitgeven. Wolfram die, overigens, dit jaar op diezelfde machines een kleine bundel van me zal drukken, maar dat terzijde.
“Dat wil ik ook”, zeiden Bernards ogen eerst. Het duurde even voordat zijn mond het ook uit kon spreken, maar toen hij het zei klonk het vastberaden. Het zou op hem afkomen. En het kwam op hem af. Het kwam als de vrouw, wier naam immer met trompetgeschal wordt aangekondigd, uit de hemel vallen, op die ene dag in Boekhandel Pampus.
We gaan erheen, naar het Grafisch Werkcentrum, en wel nu! Met de Rauwe Uiwe en dichters als Bas Jacobs en Daan Doesborgh, om de Heidelbergs in actie te zien.
Weet je trouwens wat achteraf de grap met die inkt uit de pen van de immer enthousiaste Sander Meij was? Die kwam niet.


Of ik nog even naar café ’t Smalle kwam, om een voordracht te oefenen, want de volgende dag stonden we geboekt in Boekhandel Pampus. “Te Bokkel or not Te Bokkel, that’s the question”, schreef Martijn den Bakker op Facebook.







