Ademgebed – Martijn Teerlinck

Afgelopen woensdag verscheen de bundel Ademgebed van de veel te jong overleden dichter Martijn Teerlinck. Vanmiddag kocht ik mijn exemplaar bij De Nieuwe Boekhandel aan de Bos en Lommerweg in Amsterdam. “Gekocht, gelezen, ademloos – Ademgebed”, dacht ik net, hoewel ik de bundel nog niet uit heb. “Ik heb een brede lach van afgeknipte takken / en eeuwwervels houden mijn rug bij elkaar”, schrijft Teerlinck, in wat Erik Jan Harmens omschrijft als ‘hyperlyrische’, ‘machtig mystieke’ poëzie. Onder een oude Italiaanse populier in het Erasmuspark las ik het, met mijn lief en ons zoontje van enkele weken.

Kort na het overlijden van Martijn, schreef ik met Erik Jan voor het winternummer van poëzietijdschrift Awater dit In Memoriam:

Om de dood te bezweren
door Pim te Bokkel en Erik Jan Harmens

Een aantal jaren geleden liep hij café Festina Lente aan de Looiersgracht in de Amsterdamse Jordaan binnen, waar sinds jaar en dag maandelijks de Poëzieslag wordt georganiseerd: een avond waarbij verschillende dichters voorlezen en een jury bepaalt wie dat het beste heeft gedaan. Ellen Deckwitz, Tjitske Jansen en Bernard Wesseling zijn zomaar drie namen van dichters die in dat kleine café optraden voordat ze landelijke faam maakten in de poëzie. Wij zaten die avond met Sven Ariaans en Simon Vinkenoog in de jury. Martijn Teerlinck heette de kalme, tengere jongen.
De eerste keer dat we Teerlinck zagen voorlezen hadden we niet zo door dat hij een wankelende jongeman was, maar de tweede keer vroeg hij in een overvol café, zich uitputtend in excuses, om een stoel om op te zitten alvorens zijn voordracht begon. Pas toen zijn naam werd afgeroepen stond hij op en begon een bezwerende voordracht uit het hoofd, waarbij hij licht door de knieën boog en zijn armen als vleugels leek te gebruiken, alsof hij op het punt stond om uit te vliegen. ‘Ik heb een brede lach van afgeknipte takken’, declameerde hij. ‘En eeuwwervels houden mijn rug bij elkaar / en de zee van mijn navel zoekt naar een kade / van vlees, naar een kade van leven.’
Behalve zijn broze gezondheid – Teerlinck kampte met een aangeboren afwijking van zijn bindweefsel en zag menig ziekenhuis van binnen – was er nog iets dat hem in de weg stond bij het maken van naam in de poëzie. Zijn gedichten bevatten grote woorden die hij tot zelfbedachte samenstellingen combineerde. Woorden als ‘eeuwwervels’ in bovenvermelde regels, maar in andere teksten ook neologismen als ‘aardemond’, ‘wassendemaanogen’, ‘zuurstofrivieren’, ‘dampkringhuid’ of ‘schedelklank’, woorden die doen denken aan de taal van nog zo’n van het grote gemiddelde afwijkende dichter: H.H. ter Balkt, met zijn magische boerenbarse waaier van woorden als ‘benzineboomgaard’, ‘hemelzweep’, ‘blinde vlier’. Het is taal waar je als letterkundige puur op instinct een streep door wil zetten, omdat je denkt: nah, dit is teveel bedacht. Tot je tijd neemt en de woorden werkelijk op waarde schat en niet langer zoekt naar wat je gebruikelijk acht. Er staat veel op het spel in de gedichten van Teerlinck: de dood is er zelden ver weg, als contrast bij het leven, dat intens wordt beleefd en bezongen – en steeds galmt de eeuwigheid, hoop en dreiging tegelijkertijd, op de achtergrond.
In het gedicht ‘Lucht’ schrijft hij: “alle lucht is ingehouden adem van de wereld / die langzaam aan het stikken is”. Dat is in dit gedicht geen linksactivistisch engagement. Het is een metafysisch, mythisch gegeven waar de dichter vervolgens op voortborduurt: “mensen hebben vijgenbladgezichten / en zij lopen onbekommerd in hun eeuwen” en hij, de ik-figuur in het gedicht, loopt “dunbevleugeld” en heeft “een lichaam van draden”. Als hij longen had, dan had hij ze aan de wereld gegeven, schrijft hij.

maar ik heb lege druppels
die te drogen hangen in mijn borst

daarom beadem ik zachtjes een stem bij elkaar
en laat ik de wereld waaien in mij

In het gedicht hiernaast beschrijft Teerlinck zijn zieke handen, niet als takken, maar als tentakels, broos als spindraad. Het licht in het water dat hij drinkt om zichzelf in leven te houden kaatst deels terug, wat een weerschijnend effect heeft op de lippen van de drinkende. Het effect is een witverlichte mond als van een hemelvaarder.
In de schaduw van de dood, was Teerlinck een dichter die het leven bezong om de dood te bezweren. Als hij voordroeg, voelde je in je merg dat het echt was. Als een broze hogepriester stond hij op het podium, niemand begreep precies wat hij zij, maar wat wilden we er graag in geloven. Dus won hij in 2010 het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam.
Op 3 december 2013 overleed Martijn Teerlinck, ongedebuteerd, op 26-jarige leeftijd in het AMC, aan complicaties na een operatie aan de aorta.