Het waarom van de zonsondergang

Het is nog net even licht als ik van kantoor weer naar huis fiets. Het is niet lang geleden dat ik dagelijks in het donker heen en weer fietste, een dag of vijf wellicht. Nu kijkt de zon net over de topjes van het Amsterdamse Bos.

Als ik een minuut of twintig later Bos en Lommer binnenfiets staat het Erasmuspark in lichterlaaie. De Groningse dichter C. O. Jellema vergeleek een zonsondergang ooit in een tussenzin met de dromerige olieverfwerken van Joseph Mallord William Turner, die prachtige stormschilderijen maakte, maar dat terzijde. Een zonsondergang is volgens Jellema iets dat “de hele hemel boven de eindstreep […] in Turner-kleuren zet”. In de stad is die eindstreep afgezet met de daken van huizen en de silhouetten van de loofloze loofbomen in het Erasmuspark. Verkoold lijken ze, in het licht van de vlammende ondergang – het bevangt me.

Ik zou boodschappen doen aan de Bos en Lommerweg, maar kijk uit over het water waarin de zonsondergang zich spiegelt.

Dan fiets ik naar het levensgrote standbeeld van de ijsbeer, aan de rand van het park, maak een foto met mijn telefoon en bewerk de foto tot een eindresultaat dat ik op Twitter plaats. Als ik opkijk blijkt het tafereel van korte duur te zijn geweest.

De zonsondergangen die ik in mijn leven fotografeerde. Eenmaal vastgelegd hebben ze de neiging allemaal op elkaar te lijken, als een schilderij uit de school van Ross, Bob Ross, zijn ze kunst in de zin van onecht geworden.

Als herinnering zie ik sommige van die zonsondergangen nog voor me als de dag van gisteren. Bij een zonsondergang in de polder tussen Amsterdam Bijlmer en Amstel kwam jaren geleden de volgende regel in me op:

Het mooi van de zons-
ondergang ging vooraf aan
het waarom ervan

Ik kan het bankje nog aanwijzen waar die regel tot mij kwam. Ik geloof dat ik mijn tweede bundel nog niet gepubliceerd had, maar zag geen manier om die regel daarin op te nemen. Nu is het als onderdeel van een (iets langer) gedicht in mijn stormbundel gepubliceerd.

Kort na de presentatie van die bundel, vlak voordat Nederland door de eerste najaarsstorm van het jaar werd getroffen, wandelde ik door het Amsterdamse Bos. Goud was de lucht en daarna was het roze en ik legde het vast en de weerspiegeling in het water was er ook en daarna… deed ik er eigenlijk weinig meer mee.

Het moment was weg en gelukkig hadden we de foto’s nog, maar ik vrees dat elke zonsondergang een beetje cliché wordt zodra je ‘m vastlegt: juist omdat zonsondergangen, in hun perfectie, stuk voor stuk op elkaar lijken.

“Juist voor dat uniforme moet je bij het vastleggen van de zonsondergang waken!” denk ik.

Op dat moment zet bij de ijsbeer in het park de schemer in en even is het dag noch nacht.

“Zo gaat dat met schoonheid. Maar jij, en andere kunstenaars leggen de momenten voor ons vast. Gelukkig maar!” twittert Arie Boomsma later.

“Ja”, denk ik. “Dat is de opgave: momenten bewaren, en wel zo dat je ze kan blijven ervaren.”

 

De vuurproef (ii)

Dit is hoe het gaatHet regent. Je fietst  in de ochtenduren naar je werk. Je achterlicht werkt niet. Het is zo’n dag dat je geleefd lijkt te worden. Na je werk kom je thuis in een huis dat niet langer je thuis is. Het interieur is grotendeels ingepakt in sinaasappel- en verhuisdozen. Alleen de broodnodige dingen zijn oningepakt: scheerschuim, tandenborstel, sinaasappels, broodmes, brood.

Zo was de dag voor de avond dat ik zou optreden tijdens de poëziemarathon in Perdu.

Ik was wat later dan normaal – iets te laat. Maar, dacht ik, mijn voordracht staat gepland voor de tweede helft van het vier uur durende programma.

Bij het dichterskerkje aan de Kloveniersburgwal trof ik een gesloten deur. Ik belde aan.

Van eerdere avonden bij Perdu herinnerde ik dat de laatkomers altijd werden binnengelaten als ze op de bel drukten. Er ging dan in de zaal geen bel af, maar boven de ingang begon dan subtiel een lampje te branden.

Toen ik na vijf minuten nog voor een gesloten deur stond, begon het besef te dagen dat het lampje doorgebrand moest zijn.

Ik stond daar te bellen maar niemand ving daar binnen mijn signaal op. Mijn plan om voor de eerste keer uit de bundel Dit is hoe het gaat voor te lezen dreigde in de plomp te vallen.

Er moet een half uur zijn verstreken toen er nog twee gasten aan kwamen lopen. Liefhebbers waren het; geen dichters, zeiden ze. We speculeerden over wat er binnen allemaal zou gebeuren, hoe we binnen zouden komen en over welke gedichten ik zou voordragen.

Uiteindelijk gingen er twee andere mensen vandoor. Ze lieten ons binnen. Ze lieten ons binnen in het portiek van Perdu. En daar troffen we wederom een deur die op slot zat.

“Kijk”, zei één van de poëzieliefhebbers, een wat oudere, vriendelijke vrouw die appels bij zich had. “De deur naar de poëziewinkel is open.”

Via een omweg belandden we uiteindelijk in de gang waar we onze jas konden ophangen. Ik pakte de bruine envelop met de drukproef uit mijn tas en wachtte tot er geapplaudisseerd werd en wandelde met de liefhebbers de zaal binnen.

De Nijmeegse dichter Dennis Gaens, die ook deelnam aan de Dichtersmarathon, keek me met een brede grijns, hoofdschuddend aan.

Tijd voor een biertje dacht ik, maar er moesten nog zes dichters voordragen voordat de bar openging.

Met de envelop onder mijn rechterarm geklemd wandelde ik na de pauze in de richting van het podium. Ik las het gedicht ‘Nothing gold can stay’ voor van Robert Frost en legde uit dat, als je een gedicht heel goed wil vertalen, je het regel voor regel moet afbreken om het vervolgens in een andere taal weer op te bouwen. Eigenlijk, zei ik, moet je dan dus een heel nieuw gedicht schrijven.

Dat laatste had ik wel gedaan. Dat eerste niet. Ik had geen vertaling van Frosts gedicht bij me. Ik had wel een boekje met nieuwe gedichten.

Voordat ik de drukproef toonde, wilde ik eigenlijk eerst nog een ander gedicht voorlezen. Ik haalde de envelop tevoorschijn, opende de envelop en haalde er de drukproef uit. En dat was het. Er zat niets meer dan dat in de envelop. Er zat niet nog een velletje A4 met een gedicht in.

Ik hield de envelop op kop, keek erin, bedacht me dat ik vol in de spotlight stond en herpakte mezelf.

Al met al sprak ik volgens mij langer over de vertaling van het Frost-gedicht die ik niet had en het papier waarop mijn nieuwste bundel gedrukt zou worden dan dat ik gedichten uit die drukproef las. Maar ik las toch twee gedichten uit de bundel voor: een gedicht over een roltrap, waarvan ik eerder al een podcast maakte, en een gedicht over een storm.

Ik kan me eerlijk gezegd niet meer herinneren of er al of niet geapplaudisseerd werd na die voordracht van me. Ik was vooral opgelucht. Missie volbracht, dacht ik.

Het duurde nog twaalf dichters voor de bar weer open ging.

“Je maakte er een hele performance van”, zei Hélène Gelèns aan het einde van de avond.

Ik vertelde haar niet wat ik jullie hier allemaal heb opgebiecht. Ik knikte zo wijs mogelijk en verschoof de focus van het gesprek naar de voordracht van Tonnus Oosterhoff. Oosterhoff had die avond het gedicht The Tiger van William Blake onvertaald en ijzersterk voorgedragen.

“Tiger, tiger, burning bright / In the forests of the night”, had Oosterhoff gesproken, met een perfecte intonatie en een Hollands accent.

“Een van de beste voordrachten van de avond”, zei ik.

Hélène knikte.

Lees hier meer over de bundel Dit is hoe het gaat, luister naar een gedicht uit de bundel en bestel één van de 74 exemplaren  online.

Matchboxworld

Word ik vorige week vrijdag midden in de nacht gebeld door Michiel, of ik al een catalogustekst bij mijn ‘beeldend werk’ voor de expositie Matchboxworld heb. Michiel is als kunstenaar bekend onder de naam Micheal Fargarden. In die hoedanigheid is hij één van de drijvende krachten achter het kunstenaarscollectief NAT, wat de afkorting is voor Neverending Art Tour.
“Houdt het dan nooit op?”
“Ha, nee. Het houdt nooit op”, zei Michiel. “De opening van de expositie van de tentoonstelling is aanstaande zondag al. En op zaterdag komen er al mensen langs om dwergen in hun absint te kegelen tijdens het bevrijdingsfestival.”
Dus ik de hele nacht op mijn pen bijten tot er inkt uit kwam. Vrij intuïtief had ik als dichter, op basis van het gedicht ‘Wasknijper’, dat ik eerder schreef, voor de tentoonstelling zeven luciferdoosjes geprepareerd. Ik had een idee en zei dat ik wel mee zou doen. Het ging me minder makkelijk af dan gedacht. De elementen als watten, doosjes, garen, lucifers en wasknijper waren al meerdere keren in rook opgegaan, maar vonden elkaar uiteindelijk in een compositie.
Als dichter heb je het ergens makkelijker dan de beeldend kunstenaar, dacht ik. Je domein is beperkt tot de taal, of in ieder geval tot letters en leestekens, tenzij je de strijd van Tonnus Oosterhoff tegen de natuurlijke grenzen van de taal nog eens over wilt doen natuurlijk. Als dichter loop je zogezegd door de stad en zijn je keuzemogelijkheden beperkt tot de straten met straatnamen. Als kunstenaar kan je bij elk element duizenden keuzes maken. Die wasknijper… moet die geverfd, gelakt, verbrand, verhakseld et cetera… je navigeert op open zee… geen taal die je de weg wijst.
Uiteindelijk was ik eruit gekomen, kon ik Michiel wel vertellen. Maar nu moest de route die ik afgelegd had dus alsnog in woorden worden vastgelegd.

Ik geloof niet in kunst met een bijsluiter. Het kunstwerk moet als ding op zichzelf staan. Het zou ook zonder bijsluiter, aan iemand die er de tijd voor wil nemen, het het hele verhaal openbaren.
“Je hoeft het ook niet uit te leggen”, zei Michiel. “Je kan ook vertellen waar je vandaan komt. Wat je overwegingen zijn. En welke werken je eerder hebt gemaakt.”
Ineens bedacht ik me dat ik in 2010 met Rudolph Kempers de expositie ‘De dans der dingen’ had gepresenteerd. Het ding, dat was met ook een bundel als De dingen de de dingen de dans en de dingen, dacht ik, dus een soort van echt mijn ding. Dat zou mijn invalshoek voor de catalogustekst worden.

Catalogustekst

In het werk van Pim te Bokkel neemt de thematiek van het ding een belangrijke plaats in. In de dichtbundel Wie trekt de regen aan? uit 2007 is er al sprake van het verlangen naar een ding dat alle menselijke behoeften in één klap bevredigt. Het ding lijkt er te zijn, maar ineens vliegt het op en is het verdwenen, alsof het nooit echt heeft bestaan. Dit thema keert terug in de bundel De dingen de dingen de dans en de dingen, waar er sprake is van een schril contrast tussen de statische wereld van de dingen en de dynamische wereld van de dans. Uiteindelijk willen alle dingen dansen, meent Te Bokkel: zelfs het blad aan de boom krijgt met het voorbijgaan der seizoenen de levensadem ingeblazen, raakt los, danst heel even, valt dan neer en wordt vertrapt, om, zij het heel even maar, te hebben geleefd.
In het manifest van de expositie ‘De dans der dingen’ beschrijft Te Bokkel een wereld die dreigt te verbrokkelen in steeds meer dingen. “Al die dingen, de mens dreigt erin te verdrinken. Of erger: de mens beschouwt zichzelf uitsluitend nog als een ding dat uit wat cellen en moleculen bestaat… de mens verdingt.” In dit proces van verdinging kijkt de mens naar de wereld, zonder het gevoel te hebben daar onderdeel van uit te maken of daar iets in te kunnen veranderen. Wie verdingt verdwijnt, daarom wil Te Bokkel in de bundel De dingen de dingen de dans en de dingen door middel van poëzie de dingen nieuw leven inblazen.
In de serie lucifersdoosjes die Te Bokkel voor ‘Matchboxworld’ samenstelde staat de wasknijper uit het onderstaande gedicht centraal.

Te Bokkel vraagt de wasknijper wat er beklijft, wat er overblijft ‘als straks de herfst aantrekt’. In de verschillende composities die hij voor Matchboxworld maakte speelt de wasknijper met vuur: in het samenspel der dingen, de compositie, lijkt de wasknijper zijn eigen ding-heid in twijfel te trekken. De wasknijper wil er niet als ding bestaan. De vraag die rest is wat er overblijft.

Ik als ding

Het voelt altijd wat onwennig om over jezelf in de derde persoon te schrijven, maar soms moet je zo een biografie of iets dergelijks aanleveren. Ergens voelde ik ook tijdens het schrijven van de catalogustekst dezelfde angst als de angst voor verdinging die ik in de catalogustekst beschreef. Ik keek naar mezelf als een buitenstaander, terwijl ik dat toch schreef, terwijl ik dit toch schrijf, nu. Ik bedoel terwijl ik dit toch schreef…
Misschien begrijp je wel wat ik bedoel. Ik kan er slecht tegen als mensen een ellenlang betoog, of een opstapeling van verontwaardigde scheldwoorden eindigen met de uitdrukking: ‘weet je?’ Meestal weet ik het niet. Daarom stond die persoon ook zo zijn best te doen om datgene wat ik niet wist onder woorden te brengen. Maar goed, op zo’n moment weet je dus wel dat iemand even moeilijk uit zijn woorden komt. Daar kan je dan ook wel een soort van menselijk soort ‘respect’ voor hebben.
“Gaat het lukken met die tekst?” vroeg Michiel.
“Ah, ik denk dat het wel gaat lukken, weet je…” zei ik maar.
“Is goed man. Respect. Check je later.”
“Later, later. De expositie komt snel dichter bij. Maar alles komt goed”, zei ik.
“Zeker,” zei Michiel vastberaden, rechtdoorzee, want zo is hij.

Matchboxworld

De expositie Matchboxworld is van 6 tot en met 26 mei te zien in het NDSM Treehouse op het NDSM-terrein in Amsterdam. Matchboxworld is een tentoonstelling met luciferdoosjes als beeldend uitgangspunt. De toegang is gratis. En alle informatie vind je op NeverendingArtTour.nl.

 

De crisis voorbij

Of ik nog even naar café ’t Smalle kwam, om een voordracht te oefenen, want de volgende dag stonden we geboekt in Boekhandel Pampus. “Te Bokkel or not Te Bokkel, that’s the question”, schreef Martijn den Bakker op Facebook.

Oefenen of moed indrinken, dat was de vraag. Ik had een bedrijfsfeest en moest me beperken tot het laatste.

De middag erna zat ik met Sander Meij op het KNSM-eiland in café Kanis & Meiland. Klaar om voor te dragen bij de boekhandel, wachtend op collegadichters Martijn en Bernard Wesseling.

“We zitten bij Kanis & Meiland”, zei Sander, toen Martijn opbelde om te melden dat hij, na een zware avond, wat later zou komen.

“KNSM-eiland? Check.” Hij stapte op zijn baanfiets en was in no time van Osdorp, waar de vliegtuigen van Schiphol in de achtertuintjes landen, in het havengebied waar ook de boekhandel was.

Bernard kwam even later, met telefoon, zonder beltegoed, op zijn slofjes aangelopen.

We waren er klaar voor. We waren de Rauwe Uiwe. We hadden sinds ons optreden op het Crossing Border-festival niet meer samen op een podium gestaan. We waren vrienden gebleven, ondanks dat optreden bij Crossing Border, want dat was de opzet altijd geweest: vier vrienden, dichters, samen op een podium – wij blij, publiek blij en – zoals Martijn het op zijn arm had laten tatoeëren – gezelligheid.

Het was als in the old days, toen we met Eus Kuipers nog geïnterviewd werden voor het SchoolTV Weekjournaal.

De middag stond in het teken van de Chinese mensenrechtenactivist en dichter Liu Xiaobo, die in 2010 in gevangenschap de Nobelprijs voor de Vrede kreeg.
Wesseling, Ome Berrie voor vrienden, omschreef de avond later kort en bondig als volgt: “Stariks ‘Reegnen’ – classico. Mooi gedicht van Vrouwkje ook, en Pim en Miss Peeters. […] De gebroertjes Hesselink ontwapenend als immer, O, en van Tarata Tekst heb ik per abuis de gedichten meegenomen naar huis. Prima spul.”
En dat laatste gold ook voor de gedichten van Berrie, zoals je in het videoverslag terug kan zien.

Een tweede optreden in Café Luxembourg volgde snel. Verwelkomd door het aimabele barpersoneel warmden we als onderdeel van het poëziefestival op Het Spui, het podium op voor Kluun, die ons later vertelde over het nachtleven van Amsterdam. We zouden er nog tot diep in de nacht over napraten in de Bloemenbar, met rauwe stemmen – rauw van het voordragen natuurlijk, natuurlijk.

Maar waar staat dat Rauwe Uiwe dan voor, vroeg de radioman van RTV Alkmaar zich af. Dat Uiwe, geen idee. Wij stonden nergens voor. Wij stonden er gewoon. We werden geboren en waren er, zoals ook die naam er ineens was en bleef hangen. Zo stonden we daar die avond ook voor te dragen, tot Kluun het café binnenkwam voor zijn optreden, maar wij stonden daar – we zouden doorgaan en deden het.

“Nog eentje dan?” Kluun knikte. Het aanwezige publiek zei in koor iets als: “Okay, nog eentje dan.” Die scène herhaalde zich een enkele keer, tot we met applaus ons weer, het podium af, de menigte in begaven.

Er stond een dienblad met De Konincks voor ons klaar, van het barpersoneel, dacht ik. Van Kluun bleek later.

 


Beluister hier het interview met RTV Alkmaar, dat afgenomen werd na ons optreden in Café Luxembourg. Of nee, doe het niet! Het is een opgeschoten, ironische bende: “geteisem, gajes, schobbejakken!” Maar, met goedkeuring van de maestro.

De klap van het klapvee

Voor me ligt de bundel die ik, een tijd geleden alweer, cadeau kreeg tijdens een bezoek aan de Nacht van de Poëzie. Traditioneel is de Nacht van de Poëzie een avond waarin de crème de la crème van de Nederlandse poëzie volle zalen op minutendurende poëzievoordrachten trakteert. Maar net als vorig jaar was er ook een podium waar slamdichters en andere literaire beloften om een plekje op het hoofdpodium strijden. Aan die avant-garde is in de nachtbundel een speciale afdeling gereserveerd. Boris de Jong, Bernard Wesseling, Martijn den Bakker, Sander Meij, Daan Doesborgh en Kira Wuck, voor de hand liggende en minder voor de hand liggende dichters zijn erin terug te vinden.

Anne Broeksma las tijdens de poetry slam die avond ook het gedicht uit de nachtbundel voor. ‘Toen ik vroeg in welke tijd je het liefst / en waarom, riep je: ‘ijstijd’.’ Met deze dialoog begon een gedicht dat verder op een kinderlijke toon naar de slotzin meandert: ‘Je lag dood naast een wak, er groeiden bloemen uit je ogen.’ Het contrast tussen kinderlijke toon en gruwelijke inhoud maakten dit gedicht tot het beste dat ze die avond voorlas.

Eén van de beste Nederlandse slamdichters is momenteel Daan Doesborgh. Zijn gedicht uit de nachtbundel legt echter zijn twee achilleshielen bloot: een soms sentimenteel, niets- of teveel zeggend gedicht enerzijds, en anderzijds een gedicht door verdwaalden archaïsche glossen ontsierd wordt – ‘de latten der bodem’ waar het gaat om een lattenbodem bijvoorbeeld. Tijdens zijn meest succesvolle voordrachten blijven deze gedichterige gedichten achterwege.

We zijn zo terug

Arno worstelt in de vijver
met de opblaaskrokodil;
de goudvissen kijken toe
vanachter de waterpest
en zien hoe het roofdier
de kop in het water steekt
en opspringt

Arno wurgt het beest
totdat het zucht, geen adem krijgt
en als een plastic zak
tot rust komt op het grensvlak
van water en lucht –

dan zit hij nat
met wat kroos op de kant
en duurt het nog minstens een uur
voor ze terug zijn

– Pim te Bokkel

Martijn den Bakker schrijft over een jongetje van zes op een foto tijdens zijn verjaardag. Er is taart en een buurvrouw en er zijn dingen die hij eng vond. Het gedicht sluit goed aan bij gedicht dat ikzelf instuurde voor de bundel, een gedicht over Arno, waar we beiden nog een expositie aan hebben gewijd, tijdens de lancering van mijn tweede bundel. De foto’s hangen nog in Festina Lente, maar de gedichten zijn van de muur geschuurd, beklad en door de bezoekers mee naar huis genomen. Ik was eigenlijk helemaal niet één van de slamdichters, moet ik bekennen, maar door een kleine miscommunicatie verscheen ook mijn – tot op dat moment nog ongepubliceerde – Arnogedicht in de bloemlezing.

Aan het einde van een lange avond, te lang om in zijn geheel te bekijken en te bespreken, maar met enkele pauzes en een fantastisch intermezzo van een metalfanfareband, werden Kira Wuck en Boris de Jong uitgenodigd om gezamenlijk op het hoofdpodiun te strijden om de gunst van het publiek.

Kira was wat zenuwachtig, maar haar gedichten bestonden uit scherp geformuleerde, vervreemde observaties. Haar gedicht in de nachtbundel is daar het bewijs van. Over Boris’ gedicht in de nachtbundel ga ik het niet hebben. Het is het soort droombeschrijving dat we ook bij Doesborgh zagen. Het roept daarnaast ook onbedoelde associaties op en is op een niet-poëtische wijze gewoon raar. Nee, de reden waarom Boris won is extrapoëtisch: een perfecte timing en intonatie, een zelfverzekerde houding, de keuze van briljante andere gedichten en een voordracht die in een climax eindigde. ‘Koe klap’ heet het gedicht, over een stel gekke koeien dat ‘koe klap / koe klap’ één voor één de klif afwandelt. Luid joelend klapte het klapvee Boris de Jong naar de eerste plaats op het hoofdpodium– een welverdiend applaus.

Lees hier het verslag dat Boris de Jong zelf schreef van de avond.