Hoe schrijf ik een gedicht

Dit item verscheen eerder op Pimtebokkel.nl in 2012. 

Eens in de zoveel tijd ontmoet je als dichter iemand die de vraag stelt. Een journalist, iemand die je na een optreden aanspreekt of een collega die net iets van je las. En dan… dan komt het… de vraag: “Hoe doe je dat nou eigenlijk, dat dichten?”

“Ja,” vraag ik mezelf dan af. “Hoe doe ik dat nu eigenlijk?”

Eerlijk gezegd beantwoordde ik die vraag elke keer anders. Ik zoog iets uit mijn duim en zei: “Ik doe maar wat en pruts net zo lang tot er iets staat dat volgens mij helemaal goed is.” Zo’n antwoord toont dat schrijven een intuïtief proces is, maar van het antwoord zelf wordt niemand wijzer.

Vorige week, op een festival in één van de Amsterdamse parken, begreep ik ineens waar de meeste mensen bij het schrijven van een gedicht tegenaan lopen. Een vriend, die als leraar op een middelbare school werkt, vertelde me dat de meeste scholieren een gedicht van a tot z uit willen schrijven. Dat lukt ze niet.

Ineens begreep ik waarom ik altijd moeite had met de vraag hoe ik een gedicht schrijf. Ik schrijf al meer dan tien jaar gedichten, en het is niet dat ik er nooit eerder bij stil heb gestaan. In al die tijd was ik echter steeds meer verwijderd geraakt van wat je ‘de natuurlijke vertelhouding’ zou kunnen noemen: mensen zijn gewend om een verhaal ergens te beginnen en door te gaan tot ze zijn uitgepraat.

Na jaren van trial and error heb ik gemerkt dat een gedicht zelden tot nooit op die manier tot stand komt. Als ik het zou moeten samenvatten in een proces zou ik de volgende zes stappen identificeren:

 

  1. Alles begint met een indruk of een idee. ‘De beste gedichten schrijf je aardappels schillend’, schreef Cees Buddingh’ ooit, maar dat aardappels schillen is slechts het begin. Dat idee schrijf je op een groot wit vel papier.

 

  1. Vervolgens schrijf je alles wat je verder bij dat idee bedenkt kritiekloos en ongeordend in een grote wolk van woorden, met in het middelpunt dat eerste idee. Je zou het stream of consciousness kunnen noemen, maar het eindresultaat is geen lineaire tekst.

 

  1. Als je alle associaties en gedachten uit je hoofd geschreven hebt, zie je meer en meer verbanden en een onderwerp ontstaan. Deze verbanden werk je uit tot zinnen op een nieuw vel papier. In deze fase wordt dus ook duidelijk waar je gedicht nu echt over gaat.

 

  1. Tussen de zinnen die je opschreef bevindt zich vaak een zin die kan dienen als begin of slotzin. Deze zet je op een nieuw vel papier of in je tekstverwerker. Nu je weet waar je gedicht over gaat, werk je het verder uit tot een eerste versie met de meest passende regels en ideeën op je inmiddels niet meer witte vel papier.

 

  1. Vervolgens kom je in verschillende herschrijfrondes terecht. Het doel is de vorm en de woorden te vinden die passen bij het echte onderwerp van je tekst. Hele zinsdelen en strofes kunnen in deze rondes van plaats wisselen of sneuvelen.

 

  1. Ten slotte worden de puntjes op de i gezet: je controleert de spelling en leest het gedicht hardop voor om te horen hoe het klinkt.

 

Of je gedicht nu af is wordt gevoelsmatig bepaald. Als je heel erg tevreden bent wil dat lang niet altijd zeggen dat je een briljant gedicht hebt geschreven. Als je zeer ontevreden bent moet het gedicht even rusten en moet je op een gegeven moment stap vier, vijf en zes herhalen. De beste indicatie voor een goed gedicht is dat je een beetje bang wordt van hetgeen jezelf net geschreven hebt.

Het idee dat jij degene bent die het gedicht geschreven hebt is nog maar een paar honderd jaar oud. Bezeten door de geest van het gedicht, vol van inspiratie (naar het Latijnse woord voor geest), gingen de dichters van vroeger op in het schrijven van zijn gedichten. Ergens in opgaan – het klinkt alsof je als verstandig en zelfdenkend mens verdwijnt. Zo was het toen, maar in een recensie van de Verzamelde Gedichten van de vijftiger Lucebert schrijft Ton van Deel: “De veronderstelling dat hij al dichtend door een god of door de muze werd ingefluisterd, heeft hij zelf een aantal keren in interviews bevestigd.” Wie weet ging je net als Lucebert en de dichters van vroeger op in het schrijven van je gedicht als je een beetje bang wordt bij het teruglezen van je eigen tekst.

Eerlijk gezegd weet ik nog steeds niet precies hoe ikzelf precies een gedicht schrijf – als het goed is verdwijn je op een onbepaald moment. Maar met de stappen hierboven heb ik door de jaren heen wel de twee meest voorkomende blokkades in het schrijfproces weten te vermijden, dat zijn: 1. het blokkeren van de inspiratie door lineair te schrijven en 2. het niet helder hebben van je onderwerp. De eerste wordt opgelost in stap twee en de tweede wordt aangepakt in stap drie. Zonder onderwerp is elke zin in je gedicht, en daarmee je hele gedicht, inwisselbaar. En bij het lineaire schrijven loop je vast omdat je je inspiratie beperkt tot wat past bij de vorige zin, waardoor andere gedachten bij voorbaat sneuvelen.

Wanneer ik workshops geef, bijvoorbeeld aan middelbare scholieren, ligt de nadruk dan ook op stap twee en drie, wat al meerdere keren leidde tot leuke middagen met bijzondere gedichten.