Tijdreizigers zijn we – het verbergen van de Achterhoekse Verzen

Aalten, 8 juli 2018

Donker, koel en laag zijn de kelders onder het kasteel. Het is al weken warm en de dagpauwogen houden het voor gezien; ondersteboven hangen ze aan de steunbalken van het plafond.

Zelden zijn de kelders open voor publiek. Ik herinner me de Open Monumentendagen. Met vader en broertjes veegden we het erf, hakten we het pad onkruidvrij en poetsten we de kelder stofvrij. Vooral dat laatste was onbegonnen werk; één tikje tegen een wand of de kalkstukken vielen in een wolk van fonkelstof op de grond.

We laten iets achter in het oude huis. Er zijn genodigden en met mijn broertjes ben ik teruggekomen naar de Achterhoek, Aalten om precies te zijn, waar tussen oude eiken mijn ouderlijk huis staat.

*

Ik was er al een dag eerder, twee om eerlijk te zijn. Mijn oom, die zijn jeugd als oudste zoon van mijn opa op het huis had doorgebracht, was overleden.

‘Mooi stuk in de krant’, had één van mijn tantes gezegd, voor de dienst en het condoleren.

We hielden het kort, spraken zacht. Het ging om de begrafenis.

*

Een dag later wandelde ik met mijn vader en 150 anderen in een stoet door het coulissenlandschap van Sinderen. Het was, op zijn Achterhoeks, een hele drom.

Dichter Hans Mellendijk ging de gemeente op zijn opafiets voor, de kapiteinspet scheef op het hoofd. Langs podia met dichters, muzikanten, langs essen en eiken, gingen we, tot het dichtersbankje in zicht kwam.

We lazen er om beurten uit mijn Achterhoekse Verzen, jeugdherinneringen die ik in het Nederlands geschreven heb en die Hans vertaalde naar de Aaltense variant van het Nedersaksisch – de taal van mijn vader en moeder die nooit mijn moedertaal was.

Ik las het openingsgedicht, ‘Achterhoekse geest’:

 

“In rode slootjes roest de tijd

onbewogen staat de boer erbij

door erosie van regen getekend gezicht in de wind

de handen ontvouwen

rouwgerand

de laarzen in het akkerzand”

 

Hans las verder:

 

“an’etrokken tut de grónd

ónwettend van de kanker in zien slokdarm nog

’n betjen bange

dat op ’n dag baoven de bósrand met de metersdikke beuke

’n skyline van skyscrapers verschint

en dat de streek de geest opgöf

de spraoke verlus”

 

Het gedicht eindigde met het droombeeld dat de ‘ochtendzon de flarden witte wieven mist’.

Witte wieven waren er niet. De zon brandde hoog in de hemel, de koperen ploert.

*

In de sirenengang kregen we, door de verstopte bosnimfen in de berm, gedichten toegefluisterd. We liepen achterin de rij.

“Is dit de laatste?” zei één van de nimfen. “Moeten we verder lezen of zijn we klaar?”

“Neet stoppen. Deurgoan!” zei een bewegende braamstruik.

Verder gingen we ook, het bos uit.

“Kijk,” zei mijn vader. “Japanse Duizendknoop.”

Een fors deel van het bos was aangetast door de invasieve exoot. Niet lelijk, met zijn roodgerande groene blad en witte bloemen.

Langzaam werd het landgoed overwoekerd.

*

Uitgever, illustrator en vertaler zijn present.

De chroniqueur van de Aaltense dorpscourant zit binnen en mijn ouders schenken koffie en delen beboterde krentenwegges uit. Langzaam druppelt ook de familie binnen.

We signeren de kersverse bundels en spreken over de geheime, ondergrondse gang die er ooit moest zijn geweest, naar Bredevoort, de huidige boekenstad.

Gebukt gaan we nu, één voor één, het keldergat in.

Ik draag een kist met één exemplaar van de Achterhoekse Verzen. Het zal een reis door de tijd maken en ooit gevonden worden.

We lezen nog een gedicht, over een wasknijper, want wat beklijft?

 

Vraog ’t d’n wasknieper

den met ’n stalen oge

ne liene vastbit

 

Wat blif

at straks de harfst antrök?

 

Wat is ’t dan

’n vere um dit gespannen holt

dat amechteg nog wat

was vasthölt

 

Hans leest de Nedersaksische versie.

Mijn oudste zoon wil me helpen. Hij zegt het, de kleuter. Het mag.

Daar komt hij aan, met de tijdscapsule die we achter willen laten in de schatkist – de plek waarin we vroeger onze kampeerspullen bewaarden, maar die nu leeg is.

Hij wil het kaarsje vasthouden. Het mag.

“Hou ‘m precies zo,” zeg ik.

*

Nog even en we presenteren de bundel officieel in de Koppelkerk. Wat ik dan nog niet weet is dat ik de Achterhoekse schrijver en jeugdvriend Gerjon Gijsbers terugzie.

*

De deksel is zwaar.

“Gaat het papa?”

“Ja hoor,” zeg ik. Het kaarslicht flikkert.

“Goed vasthouden, he?”

“Ja hoor.”

Ik kijk hem aan en laat de deksel los.

Een schrik.

Dan dooft het licht.

 

Pims Achterhoekse verzen zijn te koop. Voor 12,50 euro is de bundel online te bestellen bij Uitgeverij Fagus